Een korte geschiedenis
van de wijk en de Protestantse kerk in Rotterdam-Charlois
Een kleine geschiedenis van Charlois
Het gebied waar de Protestantse gemeente Rotterdam-Zuid heden ten dage haar arbeidsterrein heeft, maakte oorspronkelijk deel uit van de Riederwaard, een reusachtige polder, die zich uitstrekte van het huidige Ridderkerk tot Rhoon. De polder werd door de stormvloed in de nacht van 9 op 10 oktober 1375 onbewoonbaar. Bijna een eeuw later, in 1462, werden hernieuwde inpolderingswerkzaamheden grootscheeps aangepakt. Dat gebeurde op initiatief van Karel de Stoute, die dit gebied vier jaar eerder van zijn vader, de Bourgondische vorst Philips de Goede, ontvangen had. Charlois ontleent zijn naam aan de titel die Karel de Stoute als kroonprins droeg: graaf van Charolais, een graafschap vlak onder Dijon.
De drooglegging werd voortvarend aangepakt. In de voorwaarden van de aannemers werd opgenomen dat op het herwonnen grondgebied ook een gemeente moest worden gesticht en een kerk ter ere van Sint Clements moest worden gebouwd. Charlois werd toen al afgebakend van IJsselmonde in het oosten, Barendrecht en Rhoon in het zuiden en Pernis in het westen. Tot de overgang maar de Hervorming was er in deze ene kerk een pastoor en een kapelaan werkzaam. Rond 1572 ging Charlois snel en radicaal over naar de Hervorming onder invloed van de Geuzen in Den Briel en op Voorne en op Putten. Vanaf dat moment was er een protestantse predikant aan de kerk van Charlois verbonden. De geschiedenis van deze tijd kent vele verhalen rond de polarisatie rond ds Johannes IJzerman, en lutherse en remonstrantse richtingenstrijd.
In 1817 telden de dorpen Charlois en Katendrecht, die samen één kerkelijke gemeente vormden, 378 huizen, bewoond door 512 gezinnen, totaal 2500 inwoners, waarvan 2450 hervormd (waarvan een derde belijdend lid) 40 rooms-katholiek en 10 joods. Tussen de dorpen was er grote rivaliteit: de inwoners van Charlois waren ‘boeren en kleitrappers’ en die van Katendrecht hadden stadse kapsones. In 1895 werden beide dorpen door Rotterdam geannexeerd. De welvarende dorpen waren intussen uitgebreid tot ruim 12.000 inwoners. De streek kenmerkte zich door een uitgebreide graan- en vlasteelt, boomgaarden en veeteelt. Een overgroot deel van de bevolking was overigens uitgesproken arm. Rotterdam kreeg het gebied aan de overkant steeds meer in het vizier voor de scheepvaart en handel.
De kerkelijke gemeente groeide ook door: in 1859 werd er in de ‘Hervormde gemeente Charlois’ een tweede predikantsplaats gesticht. Naast ds. Gimberg, gematigd liberaal predikant van de Groninger richting, werd ds. Pantekoek, een predikant van de ethische richting aangetrokken. In 1866 wordt de CJV Timotheus opgericht.
De Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 gaan echter ook aan Charlois niet voorbij. Er ontstaan gezelschappen thuis en in 1866 vormen de afgescheidenen de ‘Gereformeerde Gemeente van Katendrecht’, vanaf 1892 de ‘Gereformeerde Kerk van Katendrecht’ en de dolerenden vormen de ‘Nederduits Gereformeerde Kerk te Charlois’, vanaf 1892 de ‘Gereformeerde Kerk van Charlois’.
De ‘Gereformeerde Gemeente/Kerk van Katendrecht’ vindt na omzwervingen in een schuur aan de Gouwstraat en een kerkgebouw dat moest wijken voor de aanleg van de Maashaven een thuis in de Putsepleinkerk, die in 1901 in gebruik genomen werd. De kerkgemeenschap maakte een periode van grote groei door. Bij de Putsepleinkerk werd ook een christelijke school gestart, een tweede (1917) en derde (1934) en vierde (1930) predikantsplaats werden toegevoegd, de Sandelinkpleinkerk (1921; zie afbeelding) en de Polderstraatkerk (1927, in 1942 weer verkocht) en de Breepleinkerk (1931) werden in gebruik genomen. Ook was er veel aandacht voor evangelisatiewerk, werk onder de Chinezen op Katendracht, jeugdwerk ( in ’t Slag), en werden een verzorgings- en verpleeghuis opgericht. In 1930 werd de naam van de kerk veranderd in ‘Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Zuid’.
Vanaf de jaren 60 nam het aantal leden af en werden de Sandelingpleinkerk (1968) en de Putsepleinkerk (1980) verkocht. In 1987 opende op de plaats van de Putsepleinkerk het welkomcentrum ‘De Put’ haar deuren en gaf het onderdak aan het wijkpastoraat Bloemhof.
De ‘Gereformeerde Kerk van Charlois/Rotterdam-Charlois’ (1887) kende een langzamere ontwikkeling dan die van Katendrecht. De groeiende stadswijk bracht ook groei voor de kerk. De Bethelkerk (of Vlietkerk) aan de Boergoensevliet werd in 1910 in gebruik genomen. In de nieuwe wijken Carnisse en Tarwewijjk werd de Singelkerk aan de Carnissesingel in 1931 geopend. Na een fase van bloeiend gemeenteleven in de naoorlogse tijd, uitbreiding tot vijf predikantsplaatsen in 1951, de bouw van een derde kerkgebouw, de Immanuelkerk aan de Dorpsweg (1954) en een vierde, de Triomfatorkerk aan de Krabbendijkstraat (1962, in 1964 zelfstandig verder als eigen wijkkerk in Pendrecht), volgde ook hier een moeilijke tijd.
De Immanuelkerk (1963 aan het Apostolisch genootschap, in 2016 gesloopt;
zie afbeelding) en de Singelkerk (1974 aan de Kerk van de Nazarener) werden verkocht. Veel gemeenteleven werd kleiner. In 1954 werd de missionaire opdracht onder kinderen gebundeld in Jeugdhaven ’t Anker.
Ook de ‘Hervormde Gemeente Charlois en Katendrecht’ maakte een grote transformatie mee. De annexatie door Rotterdam bracht grote gevolgen met zich mee. Door het graven van de Maashaven (1905)werden 3500 huizen van Katendrecht opgeofferd. En door de aanleg van de Waalhaven en het vliegveld Waalhaven (1920) kwamen Charlois en Heijplaat (met de Julianakerk) ver uit elkaar te liggen. Er werden nieuwbouwwijken uit de grond gestampt. Er was grote behoefte aan meer kerkruimte naast de Oude Kerk en gebouw Rehoboth op Katendrecht. In 1931 werd de Nieuwe Kerk (zie afbeelding) op de plaats van het huidige winkelcentrum Zuidplein ingewijd. Een derde (1920) en vierde (1928) predikantsplaats werden toegevoegd. De crisisjaren en de oorlogstijd daagden de gemeente uit om in daad en woord klaar te staan. De oorlogsjaren waren zware jaren van bezetting, verdrukking, vrijheidsberoving, razzia’s, hoger, verminking en dood. Maar juist in deze tijd werden veel bijzondere initiatieven ontplooid. Met name door de grote vluchtelingenstroom werd het pastoraat anders georganiseerd en gingen de hervormde gemeenten van Charlois, Feijenoord, Vreewijk en IJsselmonde een pastoraal samenwerkingsverband aan. Met haar diaconale werk, het jeugdwerk en interkerkelijke bidstonden zocht de gemeente zich een nieuwe weg. Naast vier eerder genoemde kerken werd gebruik gemaakt van een gymnastieklokaal van de Rehobothschool in Tarwewijk en twee wijkgebouwen in Bloemhof en de Gouwstraat (Eben Haezer).
Na de bevrijding werd de hervormde gemeente Charlois snel uitgebreid met een vijfde (1945), zesde, zevende (1946) achtste (1947) en negende (1958) predikantsplaats. De gemeente bestond uit acht wijken: Oude Kerk, Slotboom, Carnisse. Nieuwe Kerk, Blankenburg, Mijnsherenbuurt, Bloemhof-Zuid, Bloemhof-Noord en Katendrecht (evangelisatiepost). Ook het gebouwenbestand werd uitgebreid met het Carnissehuis, een geestelijk, cultureel en sociaal centrum (1951), de Morgensterkerk in Zuidwijk (1958) de opknapbeurt van de Oude Kerk (1961), Open Hofkerk in Pendrecht (1962), de Bethlehemkerk (1967; in plaats van de Nieuwe Kerk en de Bethlehemkapel). In 1954 werden, conform de nieuwe kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, de hervormde gemeenten Charlois Feijenoord, Rotterdam-Feijenoord en IJsselmonde het eens in een concept voor één hervormde gemeente Rotterdam-Zuid. Intussen veranderde de samenleving ingrijpend. De veranderende bevolkingssamenstelling, individualisering, secularisatie en kerkverlating lieten diepe sporen na in de kerken in Charlois.
Op 1 januari 1966 vormden de hervormde wijkgemeenten van Charlois, Feijenoord, Vreewijk en IJsselmonde de nieuwe centrale Hervormde gemeente Rotterdam-Zuid. Op deze manier hoopten ze door centralisatie efficiënter vorm te kunnen geven aan het pastoraat (een wijkgemeente per 6000 woningen), het godsdienstonderwijs op openbare scholen, het diaconale maatschappelijke werk en de gezingsverzorging, de evangelisatie en het jeugd- en ouderenwerk. Belangrijke gedachte hierbij was dat door de centralisatie de decentralisatie beter tot haar recht zou komen, omdat iedere wijkgemeente verantwoordelijk werd voor haar aandeel in het grote geheel. In 1972 trokken de drie wijkgemeenten van Rotterdam-IJsselmonde zich terug vanwege een dreigende sanering de predikantsplaatsen en gingen verder als Hervormde gemeente Rotterdam-IJsselmonde.
Binnenkort volgt hier meer ....
